785. ״Oskem. S'n ,oskem sennen schount tout. Var. S’n köwrem.
Zijn begrafenis verzorgers zijn al dood. Spottend gezegd als men meent, dat iemand nog leeft, die reeds lang ter ziele is. ,Oskem H. ,osekiem = zij die zich bezighouden (,osek) met het verzorgen van het lijk. Kowrem H. koweriem = begravers, doodgravers.
786. Över'wötel. Sisch overwotel machen.
Zich zelf over stuur maken. Overwotel verbasterd uit: Owar uwoteil. H. awar uwateel == heengegaan en verdwenen (v.d. wereld).
Zie Awot V. 24 - V.P. 230 en 227. Hiervan Ned. hoteldebotel.
787. ,Oulem. Der ,aulem darf nit alles wissen (var. derf, terf).
De wereld hoeft niet alles weten. Wees voorzichtig; zeg niet te veel. ,Oulem H. ,Olam = wereld, publiek. Darf = hoeft, oude bet. van dürfen = nodig hebben, behoeven (bedürfen).
788. Ourech. E guter ourech is kaan kourech.
Een goede gast is geen gierigaard. Bet: Een gast behoort als dank voor de uitnodiging een geschenk mee te nemen. Ourech H. oreiach = gast. Kourech = Kor ach. Kor ach geldt als het type van de gierigaard, speciaal van een rijke gierigaard, met zinspeling op: Numeri XVI, 1: ״wajiekach korach” = Korach nam. — Vgl. V.P. 247. sub qaurag, met foutieve verklaring. - Vgl. Tendlau. 18. Das is e Koorech. Zie no. 344.
789. Pak. Pak schlógt sisch, pak vetrógt sisch.
Schorem slaat elkaar, schorem verdraagt elkaar. Bet: ,t Ene ogenblik hebben ze ruzie, het andere moment zijn ze goede vrienden. ״Pak” hier minachtend ongeveer ״Falderappes” = D. Pack = schorem, gespuis. M.J.V. XXII, 10.
790. Palsiereg. Palsiereg. bin isch nit, tanzen to isch nit, essen hob isch dahaam, was to isch uf e chassene?
Vrolijk ben ik niet, dansen doe ik niet, eten heb ik thuis, wat doe ik op een bruiloft? Spottende reactie op uitnodiging tot een feestelijkheid. Palsierig = plezierig? Dahaam = D. daheim.
184