D. Arsch = achterste, gat. Gebresch D. Gebrechen = m.h.d. gebreche = gebrek.
V.P. 35. aartsgebrich (verminkt). Het eerste deel komt ook voor in de vorm maarsch n.d.d. märs, Ned. volkstaal maars. Deze vorm is ont-staan uit i(m) arsch vgl. neschieres, niese, inleiding § 4, II, 3. Vgl. Goethe, G. von Berlichingen: ״Du kannst mich im Arsch lecken”. (III. Akt.)
781. Oosser. Oosser as chäser.
Verboden als spek, varkensvlees: Bet: Een scherpe ontkenning. J.J.V. 1923, blz. 364, no. 274. - Chäser, zie 104, Oosser H. assur = verboden. - Weill 240 (tekst corrupt).
782. Oosser. Oosser is kaan schwu’e.
(Het zij mij) Verboden is geen eed. Bet: De uitdrukking ״Oosser” (= het is verboden) is geen officieel eedsformulier m.a.w. Neem een sterke uitdrukking niet altijd au serieux.
Oosser H. assur = verboden heeft in het Jiddisch als interjectie een sterk ontkennende betekenis. Schwu’e H. schewu’a = eed. Nascher. 5. As osser is ka schuwue. — Bernst. 18. Ussür-chassir is kejn sch’wüu, -küsch in tuchoss” is kejn klulu.
Vgl. ook: Pürim is kejn jojm-tojw, kadachas is kejn krenk (201 aldaar) en: es wert mir oosser sein.
783. Oren. Oor von adoun ,oulem bis ’oleine, un geb jedem das seine. Bid van adoun oulem tot oleine en geef ieder het zijne. Bet: Bid maar de gewone gebeden (van ״adoun oulem” tot ״oleine”), maar doe je plicht tegenover je medemensen. Spot met mensen, die extra-stukken bidden, doch in hun handel en wandel het niet zo nauw nemen. Adoun ’oulem H. adon ’olam = Heer der wereld; begin van het gewone dagelijks gebed. ’Oleine H. ’alenoe = slotgebed. Oor v. oren zie 97. Cf. Eccl. VII, 16.
784. Oren. Der hot gut geoort.
Hij heeft goed gebeden. Op iemand, die een grote portie krijgt.
183