Olewescholem verbasterd uit olow hascholoum = H. alaw haschalom = op hem zij de vrede. Eigenlijk mannelijk enkv. thans ook voor vrouwe-lijk en meerv. in gebruik.
Typisch geval van syntactische isolering. Wordt achter de naam ge-plaatst. Vgl. zaliger. Zie voor absoluut gebruik van de term Bernst. 191. Ale ״ulow-haschulojm’ss senen gut”. Zie no. 4. - V.P. 229.
776. Ollef. Der ken kaan ollef vor e beis.
Hij is olie-dom - onwetend op Joods gebied. Ollef H. alef = eerste letter v.h. hebr. alfabet. Beis H. beet = tweede letter v.h. hebr. alfabet. V.P. 229. Hij kent geen o. voor een b. - Stoett 1.
777. Omein. Omein is weiberred.
Omein is vrouwengesprek.
Abbreviatuur van - ^4chiela = eten. Malbuschiem = kleren. iVidda ־־ menstruatie. Bet: Ironisch: Over deze drie onderwerpen gaan de meeste vrouwengesprekken.
778. Onkel. Der onkel ken Rasche.
Mijn oom kent Rasche (sc. ik niet). Ironisch antwoord op een bijzonder moeilijke vraag, die men niet beantwoorden kan.
Rasche = Rabbi Sjelomo ƒitschaki (1040-1105). Beroemd Talmoed -en bijbelverklaarder. Hier wordt wel gedoeld op de zeer populaire Pentateuch-commentaar .(Nederlandse vertaling van Opperr. A.S. Onderwijzer). - V.P. 143.
779. Onkel. ״ n Onkel is e kórew, un e körew is niks.
Een oom is een familielid en een familielid betekent niets. Bet: Reken niet al te zeer op hulp van de familie als je in nood bent. Korew zie no. 370. - V.P. 253. - Bernst. 265. A schwuger is kejn kurojw nit-sugt der litwak.
780. Oorschgebresch. Der hot eibeg ,n ander oorschgebresch (spr. eibek). Die heeft eeuwig een ander ״oorschgebresch”. Ironisch om aan te duiden, dat iemand voortdurend nieuwe kwalen voorwendt, nieuwe voorwendsels bedenkt om zich aan zijn plicht te onttrekken. Oorsch
182