vernederlandsing, maar oude Jiddisch-Duitse vorm, reeds in de oudste manuscripten. Jos. ben Jakar 1544. (Ichenhauser tefilla).
A uch sein wir al leit un felen
es is niks schand den stelen
un got alein der is gerecht
den soln wir biten al unser teg un necht
dass er uns alen der lös mit Kinder un* Weiber
das bit auch Jouseif ben Jokor der Schreiber.
(Geciteerd naar Staerk-Leitzmanri).
Ook in Meg. Winz, G.V.H. e.a. - V.P. 47. Zivy 443.
765. Niksnotz. Das is e niksnotz.
Dat is een nietsnut. V.P. 36. - Tendlau. 165, 394. - D. Nichtsnutz.
766. Nodelschpitz. Er sitzt uf e nodelschpitz.
Hij zit op de punt van een naald.
a) hij bevindt zich in een moeilijke situatie.
b) hij toont zich diep beledigd.
Nodelschpitz D. Nadelspitze. Vgl. no. 455.
767. Noochbrooche. Der ken noochbrooche machen.
Die kan nabrooche maken. Bet: Dat is de laatste keer geweest. Hij krijgt de kans niet meer. Aanvankelijk van eten, later algemeen. Noochbrooche, nabrooche = lofzegging na het eten.
Vgl. ook de uitdrukking ״noochbenschen”. (In sommige Ned. gemeen-ten werd het noochbenschen aan iemand als ״mitswe” vereerd. De betrokkene stond bij de chäsen en nadat deze laatste de brooche over het lulaw gezegd en de palmtak naar alle windrichtingen bewogen had, nam hij het lulaw van de chäsen over en herhaalde berooche en lulaw-schudden). - V.P. 223. (verhollandsing). Nu kan hij nabroche maken.
768. Noos. Die noos gefalt mir nit.
De neus bevalt me niet. Een overeenkomst achteraf afwijzen, op grond van een kleinigheid, die men lang van te voren wist. Berust op anekdote. Noos D. Nase.
769. Nouech. Das is mit Nouech aus der teiwe gekommen.
Dat is met Noach uit de arke gekomen. Bet: Dat is ouderwets, ver
180