746. Nein. Er hot die nein schlik schount getronken.
Hij heeft de negen slokken al gedronken. Bet: Ongeveer: het is al te laat; het kan niet meer. Zinspeling op de negen slokken water, die men voor de vastendag dronk.
(Ook vermeld in Manuscript Dr. F. Leviticus; een in handschrift aanwezige verzameling opmerkingen over het Joods in Nederland. Schlik = D. Schlücke.
747. Neköme. Hof nit uf nekóme, hof uf ,n lang lebben.
Hoop niet op wraak, hoop op een lang leven. Hoop niet op iets kwaads, maar op iets goeds. Oorspr. met ongunstige bedoeling: sc. want dan komt de ״nekome” van zelf.
748. Neköme. Schtarben is kaan nekóme, chassene toon is e nekóme. Sterven is geen wraak, een huwelijk sluiten is wraak. Bet: Sterven is niet erg, trouwen is erg (c.q. verschaft meer leedvermaak). Zie Paulus I. Corinth. VII, 9. Het is beter te trouwen dan te branden. Nekome H. nekama = wraak. Hier leedvermaak. Chassene toon = ,n huwelijk sluiten. M.G.J.N. III, 82/83. Chassene zie 109.
749. Nemmen. Von nemmen wert kaaner arm.
Van nemen wordt niemand arm. Tendlau. 281. Er denkt: Von Nehme’ werd men nit arm. - Bernst. 181. Fün nemen wert man nit b’dalüss.
750. Nes. Hot schem jisbórech e nes getoon, woor ’5 ganze meinsse schkorem.
Nu heeft God een wonder gedaan, was het hele verhaal leugen. Ironisch: Nu denkt men een wonder te beleven en er is in het geheel niets gebeurd. Schem jisbórech - H. Haschem jitbarach = De Naam zij geloofd. Ha־schem: ״de Naam” vaak gebruikt als omschrijving voor God. Men gebruikt hier uit eerbied bij voorkeur de een of andere omschrijving. Schkorem, zie 191. Meinsse, zie 639.
751. Neschieres. E jiddische neschieres.
Een Joodse rijkdom, ’n Overdreven voorgesteld vermogen. V.P. 225.
- Bernst. 128. - Vgl. voor neschieres, 344. - Vgl. voor het element van zelfspot, no’s 357, 382, 384.
177