dwaas zijn onberekenbaar; alleen God kan ons daartegen beschermen. Schoumer H. schomeir == bewaker, behoeder. Schoumer sein = bewaken.
Wederom typische verbinding van hebr. participium plus ״sein”. Met schoumer is verwant het Nederlandse smeris, afgeleid van sjemiere H. schemiera = bewaking. Het Barg, sjien voor politieagent is de naam van de Hebr. letter waarmee sjemiere aan vangt. Nascher. 117. Vor e tippesch soll Gott schojmer sejn.
729. Nar. Wen e nar e schtaan in e bron warft, kennen zehn chachómem im nit widder arous nemmen.
Als een dwaas een steen in een bron werpt, kunnen tien wijzen hem er niet weer uithalen. Philo 159. - Bernst. 173. As a nar warft a schtejn in brünen herein ken’n ihm zehn klüge nit arausnemen. -M.J.V. XXI, blz. 56, no. 19. As en naar warft a sten in Gurtyn aran kennen ym tzen Kluge nischt arausnemmen.
730. Nar. Wen man e nar loubt, ssappelt er sisch zu tout.
Als men een dwaas prijst, werkt hij zich dood.
Bet: Een dwaas is zo gevoelig voor lof, dat hij daarvoor in het dwaze gaat overdrijven.
Lauben D. loben.
ssappeln Zie voor betekenis en betekenisovergang no. 1041.
Tout D. tot.
731. Narren. Narren machen e molzeit un chachómem essen se uf. Dwazen maken een maaltijd en wijzen eten hem op. Slimmen profiteren dikwijls van de arbeid van de dwazen.
732. Narren. Der weg schteit nit sonder narren.
De weg staat niet zonder dwazen. Van iemand, die doelloos heen en weer loopt, of die meer loopt dan eigenlijk nodig is. Ook wel: iemand belooft iets met de toevoeging: wen der weg schtil schteit von narren (sc. gebeurt het).
733. Narren. Die narren gein die welt nit ous.
De dwazen gaan de wereld niet uit. De dwazen sterven niet uit.
174