diech zou op oostj. herkomst kunnen wijzen. De bronnen tonen echter, dat de uitdrukking over het gehele westjidd. taalgebied voorkomt. Waarschijnlijker is dan ook, dat hier een oudere vorm zich onder invloed van het rijm gehandhaafd heeft. Zie ook no. 724.
706. Moudem bokken. Moudem bokken bis zum gromd. Schmadschtikke bis zum himmel.
Bet: Zich vroom voordoen en ondertussen slechte daden verrichten. Moudiem bokken = buigen bij moudiem (= (wij) danken); een van de voorgeschreven buigingen in het hoofdgebed. Schmadstikke = slechte, goddeloze streken. (Vgl. Zich schmadden = overgaan tot een ander geloof).
V.P. 198. ״Maudiem bukken tot den grond en shmadstukken tot den hemel.” Moudembokker of Tsitsesbeisser = pilaarbijter, huichelaar, Vgl. V.A. VII, no. 50, blz. 383. - M.J.V. 1913, XVI, blz. 16. Ein Moudem Bucker. - Bernst. 152. ״Mojdiem bis zü der Erd, schmad-schtik bis züm himel.” — Weill 477.
Bokken D. bücken. De 0 in de Nederl. vorm wijst op Nederduits ״bucken” als Vorstufe, vgl. Kluge Et. W.
707. Mouech. Wer hot kaan mouech, hot kaan kouech.
Wie geen verstand heeft, heeft geen kracht. Mouach. H. moach = ver-stand. Kouach. H. koach — kracht. Nascher. 80. Kein mojch kein kojch. - Zie 251.
708. Moul. Besser geschwiggen wie es moul verbrent.
Beter gezwegen dan de mond verbrand. Bet: Spreken is zilver, zwijgen is goud. Schprichw. S.E.V. 31, slot.
709. Moul. Bresch mir es moul nit uf!
Breek me de mond niet open! Bet: Maak geen toespelingen, anders kan ik mijn mond ook niet meer houden.
710. Moul. Es moul moss gein.
De mond moet gaan. Bet: 1. Ook al zou men alle andere uitgaven vermijden, eten moet men. 2. Hij kletst maar door.
170