289. Göjsch. Das is e goj sehe chein.
Dat is een niet-Joodse aardigheid, grap. Bet: Dat is een typisch specimen van niet-Joodse humor of van niet-Joodse wijze van handelen. Meestal ironisch. Verg. no. 560 gojsch lef en 640 gojsch meinsse. Gojsch. adjectief gevormd uit Hebr. goj -f- D. sch.
290. Gold. Sou schwoor gold.
Zo zwaar goud. Bet: Ik wou, dat ik het gewicht aan goud bezat. Ook ironisch-twijfeiend tegenover blufferige beweringen.
Schwör — waarschijnlijk van m.h.d. nevenvorm swär (naast swaere) met Jiddisch ö. Ook bij Glückei v. H.
291. Göles. Nor dalfónem hobben goles.
Slechts armen hebben ballingschap. Slechts arme mensen voelen ten volle de nadelen van de ballingschap. Goles. H. galut = ballingschap. Dalfonem zie 631. Diskurs: Gespräch auf es Schif 1797.
292. Göles. Sou lang sol es goles douern.
Zo lang zal de ballingschap duren. Wordt gezegd, als men denkt, dat iemand een bepaalde prestatie niet lang zal volhouden.
Cf. Sou lang sol m’n dalles douern. Siegfr. v. Praag, Het Ghetto, pag. 81: lang als het Jiddische gooloes. M.K.V. XXII, blz. 20 no. 184. Nit länger sol ,s Jiddische Golus dauern. Philo 161. Bernst 138.
293. Got. Got behiete. Got sol mir hieten.
God beware ons. Hieten - D. hüten.
294. Got. Got sei es unverwissen.
Bet: ongeveer: zonder daarmee tegen God te willen morren. Unver-wissen van m.h.d. verwizen = verwijtend voorbehouden. Ned. verwij-ten. V.P. 51. - Gl. v. H. ed. K. blz. 157. ״Ich höbe Got sei es un vor wissen losen fasten, lernen un scheorei sachen (en andere zaken), mit teschuwo, tefillo u tsedoko (met zelfinkeer, gebed en weldadigheid) getoon, sou gut ich gekent hob (bij de ziekte van haar man).”
Idem 201: ״Mir hoben minjan kewua (een vast minjan) gekrogen vun melamdiem, (geleerden), die mir das ganze schono (jaar) bestelt hoben
88