Geheimtalen-II: 395: een Jid, die Frans spreekt en een goj die jiddisch spreekt, is geen broche an. Brooche zie no. 69.
279. Goj. Bei e goj is kaan ssod.
Een niet-Jood kan geen (handels)geheim bewaren. V.P. 127. M.J.V. 22e jaarg. Ie Heft, blz. 9, no. 19. Beim goj is kan Ssineh ün kan Ssod (Ssineh == haat).
280. Goj. Das sol man kaan goj lemen.
Dat moet men geen niet-Jood leren (eten) .Schertsend. Meer speciaal met het oog op de voortbrengselen van de Joodse keuken. Lernen voor D. lehren. Tendlau. 491.
281. Goj. Der fangt mit aanem an wie e goj mit e jehude (jid).
Die begint met iemand als een niet-Jood met een Jood. Hij treedt op onbehoorlijke of onredelijke wijze op. Jehude = H. Jehudie = Jood.
282. Goj. E goj hot chäser in s’n kop. (Var. er hot enz).
Een goj heeft spek in zijn hoofd. Bet: Een niet-Jood is dom. (De variant ook wel van Joden gebruikt.) Berust op het Joodse volksgeloof, dat het eten van spek dom maakt. Chaser, dat eigenlijk varken bete-kent, wordt ook wel gebruikt in de zin van: spek, varkensvlees. Weill 240. Er hot 'Hazir im Kopf ־ il est bête. M.J.V. 1899 p. 43.
283. Goj. E goj hot kaan chosch
Bet: Een niet-Jood heeft geen verstand. Chosch H. chusch = verstand, gevoel. Zie 282.
284. Goj. E goj hot's ,s mäsel, Var. Wie meer goj, wie meer mäsel.
Hoe meer goj, hoe meer geluk. Goj: hier meestal: niet traditioneel levende Jood. Hoe geringer zijn aandacht voor het jodendom, des te groter blijkbaar zijn voorspoed. Mäsel zie no. 149. V.P. 127. hoe meer goi - hoe meer mazzel. - Tendlau. 606. Nascher 8. Masel wie ä Goj. -Bernst. 53. Mehr goj - mehr masol. — Bernst. 157. Zivy 45.
285. Goj. E goj moss man schmeicheln (schmadden).
Een niet-Jood moet men door vriendelijkheid in een goed humeur
86