28 Inleiding
de opgenomen Jiddische grondvormen dat deze geheel in het systeem van de nieuwe taalomgeving zijn ingepast. Daarnaast doet zich een verschijnsel voor dat parallel loopt met het opnemen van nieuwe [leenwoorden uit het Jiddisch in de naoorlogse periode, waarvan reeds voorbeelden gegeven werden. Woorden, die sedert jaren hun entree in de Nederlandse samenleving gedaan hadden, maar daar lange tijd niet productief waren, bewijzen in de laatste tijd hun voortschrijdende emancipatie door de vorming van nieuwe, tot nu toe niet gebruikelijke, afleidingen en samenstellingen of het overnemen van voordien ongewone oude. Gein en geintje bij voorbeeld hebben zich al meer dan zestig jaar een vaste plaats verworven en tot voor kort bleef het daar bij1. In de laatste tijd kan men in allerlei publikaties de afleiding ״geinig" aantreffen. Ongein is zelfs in korte tijd ongewoon populair ge-worden in de Nederlandse pers, zowel als in radio en televisie, hoewel Van Dale het in zijn supplement op de achtste druk in 1970 nog niet vermeldt. Van ongein is dan weer het neologisme ongeinig gevormd, dat als Nederlands monopolie mag gelden. In Het Parool noemde een medewerker 1972 ״het jaar van de ongein" . ..
״Humorloosheid neemt land over krant toe" zegt hij2. De Telegraaf brengt zelfs: ״,s Lands wijs, 's Lands ongein"3. Mogelijk weerspiegelt de snelle opkomst van dit woord de ongunst der tijden?
Geinponem was slechts een enkele maal geïntroduceerd, hoewel de componenten er van al sinds jaren een vaste verblijfsvergunning gekregen hadden. Maar in de laatste tijd is het niet zo zeldzaam meer, al constateert Evert Werkman״ dat de echte geinponems allang besloten hebben in openbare gelegenheden hun mond te houden". (De Amsterdammer ... leer ze mij kennen p. 94). Schlemiel en schlemielig zijn beide oud-Jiddisch. Schlemiel (sle-miel) heeft in het Nederlands al een lange staat van dienst, maar schlemielig was nog niet omhoog gekomen. Nu is het, een enkele maal verlengd tot schlemieligheid, in bepaalde kringen ontegen-zeggelijk een modewoord geworden. Zeer in het bijzonder voet-ballers en andere sportliefhebbers schijnen op eens een voorliefde
1 Voorbeelden zie Stoett I pag. 242 no. 608.
2 62 Het Parool 6/1/1973.
3 63 De Telegraaf 4/6/1968.