zichzelf, 'ik kan bewijzen dat, zoals Lindelof ooit heeft beweerd, zijn functie geen golven heeft, dat de vorm van zijn grafiek constant is als sigma groter is dan de waarde V2... Zou ik daarmee werkelijk verder komen, zou het genoeg zijn?' In plaats van een antwoord viel hem ineens het aloude idee van de Griekse wijsgeer Pythagoras in over het verband tussen de muziek en de wereld der getallen. Bram werd hierdoor danig in verwarring gebracht, Pythagoras had immers niets met Lindelof van doen? Zijn hersens werkten koortsachtig op volle toeren, nerveus beet hij op de knokkel van zijn wijsvinger maar een causaal verband tussen deze twee kon hij niet vinden. Hij kon niet langer op zijn stoel blijven zitten en begon rusteloos heen en weer door zijn kamer te ijsberen. Er moest een belangrijke boodschap achter deze inval zitten, maar welke? 'Pythagoras heeft duizenden jaren geleden het wiskundige verband tussen de muziektonen onthuld,' begon hij hardop te analyseren en vervolgde druk gebarend: 'alleen had hij toen nog geen notie dat er daarnaast ook een apart verband bestaat tussen de muziek en de ondeelbare getallen. Dat ontdekte Riemann pas in de 19® eeuw, hij was het die ons de oren gaf om de verborgen harmonische structuur in de verdeling der priemgetal-len, de basistonen van de wiskundige muziek, te kunnen beluisteren. Hij liet ons horen dat de priemen niet als willekeurige noten klinken maar als een melodieus geheel. Zo is het geluid van een vibrerende vioolsnaar feitelijk de oneindige som van de fundamentele noot en al zijn mogelijke harmonische boventonen waarvan 1 plus V2 plus V3 plus V4 plus enzovoort het wiskundige evenbeeld is. De harmonische reeks, de oneindige som daarvan is ook het resultaat dat men krijgt als men x
107