383
De advocaat:... Dat zijn wat sterk-gekleurde uitdrukkingen. Wie in het huwelijksbootje stapt moet rijpelijk overwegen.
Ik: ... Huwelijksbootje ? . .. Rijpelijk .. .
De advocaat: — Ja, ja.
Ik: — Maar ’k meende te weten...
De advocaat: — Waarde heer, u weet absoluut niets van het huwelijk. U zit in ’n leelijke strik waar wij u moeten uithelpen.
Ik: — Zit ik in ’n leelijke strik? Wéét ik niéts van het huwelijk ?
De advocaat: — Absoluut niets.
Ik: — Yin u ’t leven geen gekke boel ?
De advocaat (vrindelijk): — Ik vin u een weinig geëxalteerd. Als we ons nu tot ons geval bepaalden?
Ik: — Met genoegen. Ons geval. Ons geval. Ik wist niet dat de regel Servi et feminae inepti ad dicendum testimonium van vóór Christus nóg bestond.
De advocaat: — Die bestaat ook niet meer.
Ik: — O, O. Mag ik u nog ’n paar vragen doen, waarde heer ?
De advocaat: — Wat wou uweten ?
Ik: — Denkt u dat wat ze ziel noemen bij ’n vrouw anders is dan bij ’n man ?
De advocaat: — Waarde heer, er wachten meerdere
clienten in de wachtkamer. Op ’n anderen keer, wanneer ik meer tijd heb, wil ik wel eens met u over de vrouwenkwestie — u is zeker feminist ? — debatteeren — maar nu dienen we ons tot het geval te beperken . ..
Ik: — Nog een paar inlichtingen. Tusschen haakjes met de allerliefste feministerij hou ’k me niet bezig — Ik begin te begrijpen dat de vrouw onder brave curateele staat: ’k heb ’n achterneef, die is ook idioot. — Dus ik heb niets in te brengen in ons geval ?
De advocaat: — U?... U?... Yan u is geen sprake. Als Davidson vuil tegen u wil optreden, laat hij u ’n tijdje brommen.
Ik: — Dus ik, de man die de genegenheid van de vrouw, ook die van het oudste kind heb, — ben ’n quantitê négligeable ?”
De advocaat: — Precies. Maar laten we nu eindelijk eens practisch worden. U wilt dus per se aan de zij van de dame blijven en het geval niet beschouwen als ’n jeugdig uitstapje? —