XX.
Een brief. Ik raadpleeg een advocaat. De familie Doedelaar.
Wij zaten aan de ontbijttafel, toen Frits een brief binnen bracht. Georgine werd bleek, scheurde het couvert open, las, frommelde het papier in woede saam, viel snikkend met ’t hoofd op tafel. Ik nam het propje papier, streek het glad, las:
Philadelphia.
Lieve vrouw en kinderen.
„Ofschoon ik nog altijd niet op tijd brieven van u ontvang, „zoo moet ik u toch melden, dat ik verschenen Zaterdag een „brief van u ontvangen heb en wel een brief zonder envelop ik „begrijp u manier van brieven zenden in de laatste tijd niet „enfin dit zal zich naar ik hoop wel ophelderen gij schrijft dat „weinige wat gij mij schrijft zoo koud en gevoelloos dat ik er „geen begrip van heb ik ben een heele week ziek geweest ziek „was ik eigenlijk niet maar ik was zoo neerslachtig en koortsachtig gejaagd dat ik niet werken kon ik ben nu wel nog niet „op streek maar ik kan ten minste weder een beetje werken de „docter weet niet wat het is en ik kon hem natuurlijk niet ver-„tellen wat ik gevoelde hij vroeg mij schertsend of ik verliefd „was ik vertelde hem toen dat ik getrouwd was toen zijde hij „nu begrijp ik het al je moet of je vrouw gaan halen of je moet „in europa blijven, natuurlijk kon ik hem daar geen antwoord op „geven, doch lieve Georgine ik ben besloten als ik over veertien „dagen weder geheel op streek ben om je dan te komen halen „lieve Georgine, het is dan ongeveer je verjaardig en dan breng