367
Voor was het stil geworden. Ik schreef m’n gedachtetjes op, niet omdat 'k ze zoo merkwaardig vond, maar om te trachten eén eenvoudige waarheid te definieeren. Waarschijnlijk zou ’k ’t verder uitgewerkt hebben, ware Georgine niet wakker geworden. Het spreekt vanzelf, dat ze de verspreide velletjes met mijn wijsheden over vaderliefde las. Even zat ze stil, toen me verwijtend aankijkend zei ze: „Als je van me hiéld, zou je dat niet geschreven hebbe.”
„Niet geschréven hebbe ?”
„Nee... Want ik verlang, altijd en altijd, telkens weer, ’n kind van jóu, van jou — en als jij évenveel van me hield, zou je óók ’n kind van mij willen hebben... ’r niet zoó over denke.”
’t Was de eerste maal dat ze over ’n kind sprak, ’t Sloeg me tot droomerig nadenken. Als zij ’t zóó voelde kón ’t wel juist zijn. Ik voelde ’t niet. Hoe kwam dat?
„En je hóüdt ook niet van me” —, vervolgde ze warm: „’k droom niet ellek oogenblik voor niks, dat je van me weggaat!”
„Krijg ’k nou ook al uitbranders voor wat jij blieft te droomen ? Droom niét!”, lachte ik.
In de alkoof hoestte ’t kind, minder-droog, toch met benauwde nakreunen. In eens zwègen we.
„Mamma !”....
„Ja, snoetje!”
De hoest kraakte in ’t borstje, duurde kort. De zieke was aan ’t beteren. Koorts was er haast niet.
En ook den volgenden dag ging Ka vooruit, teerzwakjes in ’t bedje, met buien nog van kregeligheid, maar ’t gevaar leek voorbij en 'k was ’r zeer gelukkig om, gelukkig dat mijn blonde kindje weer druk en vroolijk was en naar m’n malle verhaaltjes luisterde met limpiede kinderoogen. Er gebeurde alleen nog dit in die dagen, dat ’k ’n slordig geschreven briefje kreeg.
„Beste Alf,
Mijn moeder is gister gestorven, zonder dat ik aan ’t sterf bed was.
In haast. — S c h e r p.”