Kamertjeszonde

Auteur
Herman Heijermans

Geschreven onder pseudoniem
Koos Habbema

Titel
Kamertjeszonde

Jaar
1898

Druk
1899

Overig
2ed

Pagina's
439



357

Zenuwachtig-huilend hield ze ’t kind rechtop.

„Kalmte, Mol... Je maakt Ka nog méër overstuur    .    ..    ’t    Zal

wel overgaan... Niet zoo opgewonden.”

’t Borstje kraakte, de kuch reutelde op van héél    diep,    als    ’n

benauwd stikgeluid, naslepend met snerpende hijgingen.

„O mamma!” ...

„Ze stikt... God ! God ! Ze stikt!”

Als ’n krankzinnige trok ze zich de haren uit ’t hoofd. Ik had Ka op m’n schoot genomen, hield haar wat voorover, klopte zacht op ’t rugje. De bui bedaarde. Ka lachte weer. Maar Georgine, op van die rekkende spanning, óp van moeheid, lag in de voorkamer te snikken, ’k Stopte Ka onder ’t dek, probeerde haar te troosten. Zij weerde me af... „La-me maar liggen !... La-me maar dood gaan ! dóód !... God straft me !... Me Kaatje, me Kaatje ! O God! o God!... Als alles verrekte!... als ’k honger most lijde ... als Jk geen droog brood te eten had !... Alles goed ! alles !... Maar me Kaatje !... Me engel van ’n Kaatje !... Waar ’k zoo alles van hou... méér dan van ’t andere kind al is ’t slecht van me!... Praat ’r niet tegen in! ... Wat hellept prate!... Je ziet wel da’k ’r verlieze zal!... Yerlieze! Verlieze !... En ’t is me straf ... me straf... de straf van Gód!... Ben ’k geen overspelige vrouw ? ... Is ’t niet geméén wat ’k doe ? ... Kijke ze me niet allemaal met verachting an ?... Ben ’k geen mintenee geworde, geen hoer!... O God !... La-me toch üitstappe !... La-me toch doodgaan!... ’k Weet wel da’k slecht ben, slécht, gemeen-slècht... da’k niet waard ben om kindere te hebben !. . . O ! O ! O ! O !” . . .

Haar hartstochtelijke smart gaf mij tranen in de oogen, sloeg me met ’n verwondering, alsof er iets kil-vreemds langs me ging. Zachtjes redeneerde ik.

„ . .. ’k Heb ’t je laatst al gezegd, Georgine ...”

„ ... Rèdènèer nou niet! Toe, klèts niet! Je maakt me krankzinnig! Ja maakt me gék.”

Ik keek haar alleen maar aan en plots sloeg ze de armen om mijn hals:

„ ... O God, Alf — je mot niet dènke over wa’k zeg — ’k ben zoo ellendig ... zoo kapot... God straft me zoo zwaar, zoo schrikkelijk in me kind !” ...

„Groote, gróóte meid!... Als je je god dan met gewéld wil voorstellen als ’n boeman” . ..

„Toe! Toe!”, smeekte ze driftig: „spreek geen kwaad van Gód!..«

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.