351
Heil dan o lente, met uwe gouden stralen,
Betoov/rend schoon zijt ge door ’t zilveren gekweel,
Als blank zacht, leeuwrikken door ’t luchtruim dwalen,
Van topazen blauw, wolkjes zacht en geel.
Aldus waren de naïve gedichten mijner ingeslapen vrouw. Een allerlaatst vers was zoo begonnen :
XII.
Ziek! Is ze ziek mijn lieve kinderkopje! mijn roze knopje!! bloeide ze om me heen.
O laat mij God nu klagen
Hoor aan mijn stil en droef geween
Het is uw schuld!, zoo klaagt thans mijn geweten
Het is uw schuld!
O, ik kan niet meer schreien Ik zal.. .
Hier was ze zeker opnieuw begonnen te schreien en naar het kinderbedje gegaan.
Naïf-mooi, dat probeeren, dat gedeeltelijk ki nderlijk stamelen — en Kloos er naast. Het laatste vers was ze dien avond begonnen. De andere waren van verschillenden datum. Jawel — jawel — lief — heel gebrekkig — gevoelig — maar waarom die regels ... „Ik heb verdriet... mij kwelt een bitter leed” ... waarom ? ... was dat verzenmakend gejokt? ... Of had ze dingen die ze niét zei ?... Goeie snoet!... Hoe heerlijk dat ze geen literaire vrouw was, géén aanstaand lid voor de Hollandsche Maatschappij, maar een vrouw!... Met een schrik sprong ik op. Georgine werd wakker. „Dag Mol, hoe is ’t met Ka?” zei ik onnoozel.
„’t Zelfde... Kom je pas binnen?” vroeg ze wantrouwig.
„Nèt.”
„Je heb toch niet me papiere” ...
„Wélke papiere?”
„Héüsch niet?... Later mag je ’t lezen, nóü niet... Heb je heusch niet geleze?”
„Heusch niet.”