847
Kon ik in verzen voor het menschdom strijden Aan u zeggen wat velen moeten lijden O poëzie verheven Majesteit.
Dring! tot mij door ontsluijer mijn gedachte Mijn boezem gloeit, laat langer mij niet wachten Geprezen! gij! een godheid u gewijdt.
III.
Even als de bloem die het zonnetje mint, de vlinder fladdert als dartelend kind even als de roos die heerlijk van geur bezaaid door parelendauw schitrend van kleur even als de vogel die hoog in de lucht vriendelijk tjilpt met vroolijke vlucht,
bloemen en vogelen minnen de zon, wijl ’t al door haar bloeit en alles in gouden glans gloeit...
Maar deze min komt in vergelijking nog niet die ik mijn lieven Alfred aanbied.
IV.
O kon ik ü in vreugde doen leven O kon ik vroolijk zijn
O kon ik rozen op uw weg doen bloeien O kon ik in liefde u voor mij doen gloeien O kon ik aan üw hart mij veilig wanen Dan zou ik staken mijne tranen.
Y.
Ik heb verdriet!!
mij kwelt een bitter leed
’t is in mijn hart gelijk aan een woestijn
Maar zwijg arm hart en smoor uw zielekreet
Vertrouw op hem Dat geeft u zonneschijn
Wend u tot hèm
Hij zal u rust weer geven
terwijl weemoed en leed uw hart doorsmacht
Hij kust ze weg!