XIV.
Juffrouw Thomas krijgt een toéval.
Het was een huis in de Pijp, een gewóón Pijp-huis. De juffrouw heette Thomas. Maar elke beschrijving is overbodig. Het verband met het voorgaand volgt vanzelf.
„Wat hè-je daar?” — vraagt Georgine als ik tegen vier uur de woning betree, waar voortaan mijn hoofdverblijf zijn zal. Het was de middag na de gezellige verjaarspartij.
„Dat zul je zien,” zeg ik geheimzinnig en tot het kind: „Dag lieve Ka.”
„Dag oome Alfed.”
„Je mag geen óóme zegge,” zegt Georgine, vermanend.
„Mag ze geen oome zeggen?”, vraag ik, verwonderd.
„Wel née. Denk toch an de mènsche.”
„Wa’s dat nou? Moet ’t kind voor de menschen liegen? Zeg maar gerust óome, Ka, hoor je?”
„Wat ben je toch onverstandig, Alf!”, houdt Georgine aan: „Karel heeft nou eenmaal die juffrouw Thomas wijsgemaakt, dat Ka óns kind is .. .”
„Dat kan me niks schelen! Laat ’t kind óóme zeggen. Dat heb je ’r eenmaal geleerd.”
„Mamma wou da ’k pappa zei... oomè,” zegt Ka, lachend. „Nee, dat zei mamma maar voor de grap, niewaar, mamma?” „Pappa zit in Amerika, niét, oomè?
„Ja, pappa zit in Amerika.”
„U ben me óóme, niet? Nie-iet?”
„Ja, snoetje.”