krenkte Samuel diep, omdat hij daarin eene aanranding zag van de grondbeginselen van Israëls staatsbestuur, volgens welke God alleen koning en Zijne wet boven elk menschelijk recht verheven is. Op Gods bevel verzette hij zich echter niet met geweld tegen den wensch des volks. Wel wees hij op het nadeel en de gevaren, die uit het koningschap zouden kunnen voortspruiten. Hij bracht het onder het oog, dat het zijne vrijheid en onafhankelijkheid opofferde en drukkende belastingen zou moeten opbrengen, om ’skonings weelderige hofhouding te bekostigen. Toen dit alles niets baatte, gebood God hem, zich naar den volkswil te schikken. Aan deze hoogere stem gaf de profeet gevolg.
Saul, Israëls eerste koning, was de zoon van A7r, een eenvoudig landman uit den stam Benjamin. Hij was van eene schoone en rijzige gestalte en bezat buitendien voortreffelijke eigenschappen, als: bescheidenheid, moed en dapperheid, zoodat hij scheen te zullen voldoen aan de verwachtingen, die men van een vorst koesteren mag. Eens miste Kis zijne ezelinnen waarop hij Saul gebood, deze te gaan zoeken. Toen deze reeds geruimen tijd te vergeefs gezocht had, wilde nij met den knecht, die hem vergezelde, terugkeeren. Daar zij echter reeds bij Karna gekomen waren, raadde deze laatste hem aan, zich eerst nog tot den »ziener” Samuel te wenden, om hem over de vermiste dieren te ondervragen. Saul wilde deze laatste poging nog wagen. Hij ontmoette Samuel juist bij de poort der stad, toen deze aan een offermaal wilde gaan deelnemen en vroeg hem, daar hij hem niet kende, naar het huis des zieners. Samuel, bij den aanblik van dien fleren man zeer getroffen, vermoedde, dat deze Israëls aanstaande koning was, wiens komst de Godheid hem reeds den vorigen dag voorspeld had en hij antwoordde, dat hij zelf de bedoelde profeet was. Hij noodigde hem bij het offermaal en verzekerde hem, dat de vermiste ezelinnen reeds gevonden waren. Aan den disch werd Saul met groote onderscheiding door hem behandeld. Na afloop van den maaltijd begaf hij zich met zijn gast op het dak zijner woning. Daar onderhield hij zich met hem geruimen tijd, om hem voor te bereiden op de heilige en gewichtige taak, die hem als Israëls aanstaanden koning wachtte. Toen Saul den volgenden ochtend wilde vertrekken, begeleidde Samuel hem — terwijl de knecht reeds vooruit heengezonden was — tot het einde der stad. Daar haalde de profeet een kruikje olie te voorschijn en goot daarvan uit over Sauls hoofd onder de woorden: »de Eeuwige heeft u tot koning over Zijn erfdeel gezalfd.” Bij hun afscheid deelde hem de profeet nog eenige voorteekenen mede als bewijs