13»
verwoestingen aanrichtte, dat de beide vorsten zich genoodzaakt zagen, het beleg van Jeruzalem op te breken. Retsin werd overwonnen en met de verovering van Damaskus, Syrië's hoofdstad, hield de onafhankelijkheid van zijn rijk geheel op. Na de onderwerping van Aram zette Tiglath-Piléser zijn veroveringstocht voort naar het rijk Israël, dat eveneens gevoelig geslagen werd. liet verloor de voornaamste noordelijke vestingen, het Jordaan-gtbxtA en het geheele land van Naplitali, waarvan de inwoners naar Assyrië verbannen werden. Oproeren en burgertwisten verergerden den treurigen toestand van het rijk, welks koning eindelijk op dezelfde wijze den troon verloor, als hij dezen verkregen had. Hij werd door een zekeren Hoséa vermoord, die zich als koning liet uitroepen.
Ofschoon minder goddeloos dan zijne voorgangers, > deed ook Hoséa wat kwaad was in de oogen des Eeuwige.” Gedurende de eerste jaren zijner regeering betoonde hij Saltnanéser, den opvolger van Tiglath-Piléser, onderdanigheid door de geregelde opbrengst der belasting, maar eindelijk sloot hij een geheim bondgenootschap met So, den koning van Egypte, om het gehate juk der afhankelijkheid te verbreken. Toen hij nu ook openlijk tegen Saltnanéser optrad, door weigerachtig te blij ven in het betalen der verplichte schatting, verscheen deze met eene aanzienlijke legermacht in het rijk Israël. Hij nam Hoséa gevangen en begon aanstonds Samaria van alle kanten in te sluiten. Drie jaar bood de hoofdstad moedigen tegenstand, maar moest zich eindelijk, door honger en gebrek geheel uitgeput, aan den vijand overgeven. Met haren val gaf het rijk Israël den laatsten snik (719). Zijne bevolking volgde hare afgodsbeelden naar het land der ballingschap. De stammen Israëls werden weggevoerd naar verschillende landstreken van het groote Assyrische rijk, als Chalach, Chabor, naar den stroom Gozan en naar verscheiden steden van Mediê. In boeien gekluisterd verlieten zij den aartsvaderlijken bodem, dien zij door hunne walgelijke misdaden bezoedeld hadden, om in verre streken het smadelijk juk der overheersching te torsen.
Om den bodem van Kenaiin, die thans op eene woestenij geleek, niet onbevolkt te laten, zond de koning van Assyrië er kolonisten heen uit andere onderworpen provinciën, als: Babel% Kutha^ Awwa, Chamath en Sepharwajim. Bij hunne vestiging in Samaria en andere steden van Israël hadden dezen veel te lijden van leeuwen, die hunne schuilplaatsen verlaten hadden en steeds dieper in het onbewoonde land doorgedrongen waren. Daar rij dit als eene straf beschouwden van Kenaans landgod, omdat zij op