Geschiedenis van het volk Israël

Titel
Geschiedenis van het volk Israël

Jaar
1891

Pagina's
200



123

HOOFDSTUK LXXV Jarob’am. — Vadab.

Daar Jarob'am vreesde, dat de rijken Israël en Juda, alhoewel thans van elkaar gescheiden, zich door de gemeenschappelijke Godsvereering mettertijd weder vereenigen zouden, was hij er na zijne troonsbeklimming terstond op bedacht, dien sterken band te verbreken. En daar nu vooral het bezoek der tempelstad, waar Israël op de drie hoogtijden verscheen, om God door een offerdienst te ver-eeren en zich voor Hem te verheugen, de liefde voor Davids stamhuis bij zijne onderdanen weer kon opwekken, moest daaraan in de eerste plaats een einde gemaakt worden. Te dien einde richtte hij aan de beide uiterste grenzen van zijn rijk twee gouden kalveren op, het eene te Dan in het noorden en het andere te Beth-El in het zuiden, verklaarde deze steden als gewijde en geheiligde plaatsen en liet onder zijn volk afkondigen: »gij hebt voortaan niet meer noodig, naar Jeruzalem te trekken, hier zijn, o Israëli uwe góden, die u uit Egypte gevoerd hebben.” Tot priesters in de afgodstempels stelde hij naar willekeur mannen aan uit de verschillende standen, om daardoor de volksgunst te winnen. Velen, die ’s konings goddeloos bestuur niet dulden konden, togen met de priesters en Levieten, wien Jarob'am de verrichting van hun heiligen dienst ontzeide, naar het rijk Juda, waar althans gedurende Rechab'ams eerste regeeringsjaren de Godsdienst der vaderen krachtig gehandhaafd werd. Uit dit rijk kwam dan ook een Godsgezant tot Israëls koning, om hem door eene ernstige bedreiging tot een beteren levenswandel op te wekken. Hij naderde tot het afgodsaltaar te Beth-El juist op het oogen-blik, toen Jarob'am het beklom, om er een wierookoffer op te verbranden. De bittere verwensching, door hem over dit altaar uitgesproken, maakte den verstokten vorst zoo vergramd, dat deze zijne hand uilstrekte naar den profeet, onder den uitroep: «grijpt hem.” ’s Konings hand verstijfde en herstelde eerst na het gebed van den profeet. Deze wilde daarvoor geene belooning aannemen noch nuttigen van den koninklijken maaltijd, daar God hem verboden had, eenige spijs of drank in Beth-El te gebruiken. Minder standvastig toonde zich de profeet tegenover een hoogbejaarden bewoner dier stad, die dezelfde uitnoodiging tot hem richtte. Hij liet zich verleiden om bij hem te eten, maar moest zijne ongehoorzaamheid met den dood boeten, daar hij op zijne terugreis door een leeuw verscheurd werd.

Jarob'am volhardde intusschen in zijne goddeloosheid.

Mon. Gesch. I, 9*

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.