Deswegens kondigde de profeet Gad hem aan, dat eene der drie volgende straffen hem treffen zou: een zevenjarige hongersnood, eene vlucht voor zijne vijanden gedurende drie maanden of eene vreeselijke ziekte, die gedurende drie dagen velen zijner onderdanen ten grave zou slepen. »Laat ons dan door de hand Gods vallen, Wiens barmhartigheid groot is,” riep de boetvaardige vorst uit, »maar dat ik niet door de hand van menschen bezwijke.” Eene pest woedde daarop in het land, waardoor 70,000 menschen bezweken. Eerst nadat David op bevel van Gad op den van den Jebusiet Arawna of Arnan gekochten dorschvloer een altaar gebouwd en daarop voor God geofferd had, hield de sterfte op.
HOOFDSTUK LXXI.
Davids laatste jaren — Adonia.Davids krachten begonnen intusschen te verminderen. De vele gevaren zijner jeugd, de talrijke oorlogen en zeker niet het minst de smart, hem door Absalom berokkend, maakten hem op ongeveer zeventigjarigen ouderdom tot een afgeleefden grijsaard. Een zijner zonen, Adonia, maakte van den wankelenden gezondheidstoestand zijns vaders een schandelijk misbruik. Ofschoon het hem wel niet onbekend zal geweest zijn, dat zijn jongere broeder Salomo door zijn vader als troonopvolger bestemd was, trachtte hij, evenals vroeger Absalom gedaan had, door allerlei praalvertoon de volksgunst te winnen, om zich zoodoende van de regeering meester te maken. Door twee invloedrijke mannen: Joab en Ebjathar, in zijne eerzuchtige bedoelingen gesteund, liet hij zich eindelijk even buiten Jeruzalem bij een maaltijd door zijne vrienden tot koning uitroepen. De profeet Nathan deelde Bath-Séba dit voorval mede, waarop zij zich op zijn raad tot haren gemaal begaf. Zij herinnerde hem zijne belofte, dat haar zoon Salomo den troon zou erven en werd in haar verzoek, om dien thans als koning te verschillende plichten daarbij in acht genomen moesten worden, is het ons toch niet met zekerheid bekend, waarom David door deze telling Gods toorn opgewekt heeft. Dat deze daad in een of ander opzichi afkeuring verdiende, blijkt ook uit de omstandigheid, dat Joab, wien David met de uitvoering belastte, noode en eerst na ’skonings sterk aandringen, daartoe overging.