90 De oogleden van het huis.
Het water lei dicht. Sneeuw op de daken, op de straten, op de kozijnen.
In ons straatje was alles wit.
Jongens smeten mekaar met sneeuwballen, kinderen stoeiden. Waar je keek zag je wit, wit, wit.. ..
Te zonderlinger, scherper troffen de zwartgroene luiken die de ruiten bij den man en de vrouw beleien.
Wat sneeuw-vlokken waren er tegen gewaaid en van de kozijnen schuinde ’t op.
Verwonderd schelde ik aan — ’n wéék lang was ’k afwezig geweest.
Er werd niet open gedaan.
Maar een der spelende kinderen in de straat zei, blij met z’n nieuws: „’t Jongetje is dood gegaan, meneer” ....
Verschrikt keek ’k naar de gesloten oogleden van ’t huis dat grijs scheen geworden in z’n sneeuwkleed.