De oogleden van het huis. 89
roodden ze vriendlijk in den nacht. Het huis had z’n eigen, zeer onderscheiden bewogenheden — de oogen doorstaarden het straatje, bedroomden de andre menigvuldige glimmringen, bij morgen-, bij avondschemer.
Soms wandelde de man met het kind, soms de vrouw. Nooit gingen ze samen. Hij bleef op z’n kamer, kwam eten en drinken, deed z’n werk. Zij leefde afzonderlijk. Toch werden de twisten sterker.
Op een winterschen dag, dat weet ’k wel levendig, schelde hij driftig aan.
„Nou heeft ze me zóó beleedigd, waar de meid nog wel bij was, dat ’k ’r ’n eed op doe! Vanmiddag gaat zij met ’t kind. Ik kom je goeien dag zeggen — de kast gaat dicht. ...”
Zeer driftig-nerveus verhaalde hij de finesses, wat zij had gezegd, wat hij had geantwoord — dat ’t kind nou oók al an haar zij was — dat ’t kind ’m geen zoen had willen geven, opgestookt door ’t creatuur....
Ze gingen niét van mekaar.
Dien middag zwommen de huis-oogen in ’t fel-bijtend zonnetje, rakette de spion licht, was alles aan de ramen vrede en glanzing....
Meerdere dagen traagden.
Telkens was het een andre klacht.
Telkens bezwoer zij of gaf hij z’n woord dat ’r ’n end an zou komen — telkens herhaalde hij driftig dat als ’k op een goeden dag de luiken gesloten vond — ’t me niet behoefde te verwonderen.