88 De oogleden van het huis.
„ .... Wat heb ’k met dien man al niet doorstaan! Als je alles wist — hoe-ie me sart — hoe-ie me doodongelukkig maakt! Menschen die trouwen weten niet wat ze doen. Ik haat al wat man is!”____
Ik glimlachte.
Den volgenden dag liep hij me weer achter op.
„’t Is uit hoor! ’t Is finaal uit In godsnaam ik ga V van door. Van middag is ’t weer ’n hel thuis geweest. Als je over ’n uur langs komt, vind je de luiken gesloten. Zij gaat met ’t kind naar ’r ouders in Den Haag — ik — ik weet zelf niet wat ’k ga beginnen !” ....
„Kom!”, suste ik.
Ze. bléven bij mekaar, al waren de luiken werklijk dien middag dicht voor de zonnewarmte.
Toen kwam de winter, de gure zonlooze winter.
En de disputen werden heviger, schrijnender, vinniger, langduriger-van-wrok.
Als wrijfpaal staande tusschen of liever naast man en vrouw, mij niet nuchter mengend in ’n disharmonie van karakters, verlangens en willen — dat is geloof ik pertinent het afschuwelijkst van een huwelijk, al kent de Wet alleen het meer grove, platte, momenteele — aanhoorde ik nu eens de begrijplijke klachten van den man, dan weer de gerechtvaardigde ergernissen der vrouw.
Het huis, het huis onderging.
’s Morgens keken de oogen even schamper, even diep ver-leefd als de andre huisoogen, ’s middags lichtten ze bleek in ’t kwijnen der winterzon, ’s avonds