De oogleden van het huis. 87
ik naar de oorzaak van de twisten en de verwijdering. En die was er niet.
Ze hadden mekaar niet in ’t bijzijn van getuigen beschimpt, bescholden, mishandeld, noch hadden ze een van beiden erger gedaan: ze verstonden mekaar niet. Ze waren als blagen getrouwd, vluchtig verliefd, kregen een jongen en zaten elkander daaglijks in ’t haar. Hun karakters verschilden als water en vuur — zij dit — hij dat. Een kleinigheidje veroorzaakte kwestie — een afgebrande lucifer herrie — een onnoozel incident liet ze weken boudeeren, wrokken. Soms spraken ze in geen maanden één woord met mekaar. Hoe sterk de scheiding dus was — er was geene scheiding. Misbruik van sterken drank, excessen, krankzinnigheid, kwaad humeur, kijfachtigheid tellen niet mee. Die breken geen dierbaar trait-d’union. Toch zouden ze beiden wel van de een of andre listigheid gebruik hebben gemaakt om van elkaar af te komen, maar de man was dol met het kind en de vrouw kon er niet zonder. Dit vernam ik op ’t oogenblik van zijn down-heid en nu, eenmaal wétend, lette ik geleidelijk de groeiende kwelling dier twee op.
„Als ik ’t niet voor m’n kind liet,” zeide zij eens: „zou ’k naar m’n ouders gaan. ’n Onderdak heb ’k goddank. Maar als ik wegga — verspeel ik m’n kind en dat doe ’k nooit!”
Ik zeide iets sussends, iets dat je zegt als je wel wéét dat één handje zand geen put dempt.
Zij kwam onbedwongener los.