De oogleden van het huis. 85
gloeien de huis-oogen de eeuwigheid tegen, lijkt er opstand en wrevel in hun felle lichtketsing, dringen zij ook wel de heete impressie, dat ze iets wreeds ondergaan, ’t fel gespartel der zonstralen een verweer is, een martling, een lichaamlijke pijnging.
Doch in den vroeg-avond gaat er eene kwijning van weemoed. Dan herhaalt zich de morgen in teeder gepeins, de morgen zonder kilheid, zonder ver-leefdheid. Dan willen de oogen der huizen wel vriendelijk kijken met glanzige schulpen. Dan waren zij rond contemplatief en berustend, gelijk we ons oogen herinnren van oudere vrienden die gebukt bij haardvuur verhaalden, en lieve ontroeringen gaven. Vergeten we ooit zulke oogen, zacht-vlammend beschenen? Oogen van evenwicht en bepeinzing?
Nog later, als avondzwart de huizen omleit — benêe roode muren aandoezlen — boven kontoeren vergroeid met den nacht — als de stad een dompe schaduw geworden, slokop der kleine er in — herleven paisibel de oogen der huizen.
Dan knippren ze slaapmoe, of beglimlachen de dingen van den nacht, die het Duister inhoudt, doch waarvan een mensch niet weet.
Om het duidlijk te zeggen voor den lezer wiens thee niet verstoord wil wezen door beeld- en breed-spraak: het oog van het huis beduidt de geringste bewogenheden. Sluit het z’n leden dan zegt men: er is een doode in ’t huis. Vlamt het luidruchtig, dan spreekt men van feest, van een geboorte, een bruid.