82 De oogleden van het huis.
of uit de verf, vervallen of nieuw, kaduuk of versch-bekalkt was.
En alvorens ik deze onnoozle inleiding met een onrustig vertelsel besluit, wil ik even een tipje lichten der zware gedachten die ik over het huis verzameld heb.
Een huis dan is een zéér levend Wezen, levend door z’n oogen. Nimmer is aan een huis in dezen archi-anti-architectonischen tijd, den tijd van kalk, steentjes, kalkige ornamentjes (en wat verder de archi-tecten amalgameeren), den tijd van guldensbazarstijltjes, muur-tjes-gepruts, kamertjes-geknies — iets anders te zien dan de oogen. Ruggen, buiken, neuzen, beenen — om de markante zaken eens welgeschapen heers te colationeeren — veel minder schouders of borsten, komen bij een huis in aan-merking. En waar we niet wenschen te verwijlen bij huis-bochels, noch huis-mis-geboorten en daarenboven oogen eene zoo groote en veel-zeggende vreugde zijn, deze te over door bouwmeesters en huis-scheppers niet bepleisterd kunnen worden, begint het waarachtig leven van een getimmerte bij het Oog, zoo goed als het er bij eindigt.
Héél vroeg in den morgen, als grijs-druilig licht in de straten te aarzlen staat, als de daken norsch den hemel weg ompantsren, als het steden-geleef op nieuwe onthutsingen wacht, héél vroeg in den morgen, glimt het vocht in de oogen der huizen met glanzen van diepe ver-leefdheid.
Een oude man staart wel eens zoo.