Een huis is wel zéér levend.
Een huis geneert zich minder voor z’n levens-open-barinkjes dan het ding mensch.
Dikwerf vermeende ik huis-sentimenten te verstaan, niet de huis-sentimenten, die een ieglijk gevoelt: kaan-tjes-stank, turf-gedrens, alkoof-gemuf, niet de vele roerselen welke elk getimmerte in stad of stedeke rythmeert, niet het suffe pruilend sfeertje dat de hinkendste psycholoog vermag te determineeren — ruik je niet waar onzindlijke katten worden gehouden ? — waar ’n riool verstopt is? — waar aardappel-kliekjes branden? — waar kouwlijke lieden in smoorkamertjes broeien? — waar ouwe matrassen en stoffige kleeden oxydeeren — nee, derglijke, meer intiem-interne huis-emotietjes hebben geen bijzonderen verstaander van noode. Die zijn gemeen en algemeen goed. Die analyseert zoowel een melkboer als een literaat-kruidenier. Nee (nogmaals), de huis-sentimenten die ’k dikwerf vermeende te ondergaan, gevoelde ’k buiten-waarts, op straat, dichtbij of vér af, onverschillig of het huis leelijk of mooi, in
SCHETSEN VIII. 6