78 Eigendommetjes.
pen te doen en die ’t zeker erg onpleizierig zou vinden als ze hoorde dat zulke lieve bekenden van ’t strand waren over geweest.
Terwijl wandelde Fritsje de kamer rond, nam alles in z’n handen, betastte de snuisterijtjes van ’t hoek-dressoirtje, plukte ’n roosie van ’t rozepotje, kreeg de portretjes van den schoorsteenmantel, stootte ’n vaasje in scherven op den grond.
Dan zei mevrouw Van Borkum: „mag-ie niet anko-men, Frits — Wel foei, Fritsje, wat ben je vandaag ongezeggelijk — Fritsje, kom nou is hier zitten”....
Maar Fritsje, verwend lange-vinger-jongetje dat thuis ook dee, bleef genoeglijk tante’s kostbare kamerdingetjes van hun plaats sleuren, smeerde z’n vuile handen over den glimmenden koperen bloem-standaard waaran Piet zich pas ’n ongeluk had gewreven, trok den opgezetten papegaai an z’n kuif om te zien of-ie waaratje dood was.
En bij al de mouvementen van ’t lange-vinger-jon-gentje dat de nooit betaste bulletjes als waardeloos speelgoed hanteerde, glimlachte tante zuurtjes — heusch ’t kon geen gevaar — ’t was ’n rommelkamer — en kinderen zijn eenmaal zoo, niewaar? — die hebben geen rust om stil te zitten.
„Toe gebruik u nou wat,” drong tante aan, ’tzeep-glanzig hoofdje lievig naar de gasten buigend: „’n Glaasje port of ’n glas madera — ’k heb van alles in huis ”
„Nee, mevrouw, geef u geen moeite,” zei mevrouw Van Borkum: „heusch we hebben pas gelunchd.”