Eigendommetjes. 77
’t heele huis is op stelten — en me dienstmeisjes zien ’r zoo onooglijk uit, dat ze niet voor den dag durven komen ... .”
„Sans gêne — sans gêne,” zei meneer Van Borkum, die ’r op ’t strand zoo gedistingeerd had uit gezien met zijn wit-flanellen broek en nu maar simpelweg ’n confectietje droeg.
„U woont hier héél lief,” loog mevrouw Van Borkum met glimlachende judaskoontjes: „heel lief — we hebben u toch niet met koffiedrinken gestoord?” „O heelemaal niet,” zei tante geaffaireerd ’t goeie tafelkleed over de kruimels spreidend: „’k zit hier anders nooit, ’t Is hier zoo’n beetje rommelkamer voor de verstelnaaister en zoo — maar de salon wordt behangen en boven en benee zijn de ververs en de
stukadoors bezig”____
Zóóveel gelijk had ze ’r heele leven nog niet gelogen, maar in ’t verandaatje, onder de lamp, was ze zóó sekuur bezig geweest, had ze zóó rustig van ’r hééle huis gesproken, omdat de Van Borkum’s ’t telkens hadden over hun keukenmeid, hun noodhulp, hun linnenmeid, hun bonne, hun tuin met volières, hun Maris’en en Toorop’s, hun goudvisschen-vijver^ hun diverse eigendommetjes, dat ze zich toch al benepen gevoeld had achter ’t glaasje appelwijn, omdat zij maar van één solide eigen huis dorst spreken....
Mevrouw en mijnheer Van Borkum knikten vrindelijk, maakten tante complimentjes over ’r uitstekend voorkomen, informeerden naar nichie Piet, die nog geen kwartier gelejen was uitgegaan om boodschap