76 Eigendommetjes.
overzij-ramen nare stadsmensch-hoofden den meneer-met-den-hoogen-hoed, de dame-met-de-kippeveeren, ’t jongetje-met-’t-matrozenpakje beloerden, nu dreigde de vale ontreddering door tante’s badgaste-domheid, door tante’s lievige, dringende invitatie: as ze is in de stad
kwamen......
„Trek an ’t touw!,” zei tante zwaar neussnuivend: „anders doet de juffrouw-van-benee open."
’r Piepte al ’n deur.
„Blijf u maar — ’t is voor óns,” riep Piet’s geëmotioneerde stem de trap af. Van de wasch en ’t droogschuren had ze onmenschlijk getranspireerd — nou kwam ’r ’t humane angstzweet bij. Goeie hemel, ze was ontoonbaar in ’r versleten ouwen rok en ’t dienst-meiden-katoentje. En ’t haar dat zoo maar opgeknot
was met twee haarspelden----
Het touw spande, de deur kierde hartelijk open. „Wie daar?”
„Is mevrouw Hollander thuis?”
„Wie kan ’k zeggen?,” loog Piet gewikst.
„De familie Van Borkum uit Arnhem.”
Er kolfde een snerpend gebarenspel boven in 't schemerdonker portaal.
„Wel — ik dacht al — zulke bekènde stemmen,” zei ook gewikst, tante’s stem: „wel kom u boven, mevrouw en meneer en Fritsje ...”
De trappen pruttelden en nichie verdween.
„Wel dat treft allerongelukkigst," praatte tante, alles radjes en bedremmeld-nerveus: „’k hou al vróég najaarsschoonmaak — kijk u alsjeblief niet rond —6