Eigendommetjes. 75
waren, hoeveel dienstbojen ze hielden, hoeveel ankers wijn „meneer” ineens insloeg, hoe tot vervelens toe ze in Parijs, Berlijn, Weenen waren geweest, hoe ze kennis hadden an diè en an diè en an diè, welke stukken en opera’s ze hadden gezien .... Vooral de leege Rhijnwijn-flesch-badgasten konden zoo langs d’r neus weg ophakken dat de wilde spaanders naar de branding op ’t strand ketsten en de strandvlooien met hébété oogen ’t geraas aanschouwden.
Was het dan wonder of onvergeeflijk dat tante-van-een-hoog die netjes kon rondkomen van ’n peuterig pensioentje, mits zij met nichie Piet ’t huishouentje zélf dee, in die bohème-omgeving van strandmutsjes, theetjes, leege flesschen onder lichtende lampjes, flirtende kuitjes en Zaterdags algeheele lichaamskuisching — langzaam aan als ze bij de Van Borkum’s bad-stoelde van ’r eigen huis in de stad begon te praten. Eerst had nichie Piet, bete als ze bij tijjen zijn kon, in ’r zakdoek gegrunnekt, denkend an de voorkamer, de alkoof, de achterkamer; ’t zitje, ’t keukentje, maar den eigensten avond te gast bij de Van Borkum’s in de verandah en met snoekemondje proevend van galwrange appelwijn, die in de verte, décoratief gezien, minstens ’n Haut-sauternes-blosje had, was V ontrusting voor goed geweken, toen tante bescheiden-onverschillig van ’r eigendommetjes sprak.
En nu, op ’t moment dat de schel ’t Huis doorkefte, ’r geen badgast-oceaan ’t grutterig gejok met z’n suis-leitmotieven begeleidde — er integendeel aan de