74 Eigendommetjes.
’t jongske van weer ’n andre mevrouw — mensch, *n badstoel maakte van driehoog en tweehoog mevrouwen van zessen-klaar! — je stoel van achteren ondergroef of je met lepels zand smeet.
En als ze Zaterdags baadden — allen dag baden was net zoo overdreven als allen dag je stoepie spoelen — hengelden ze in de Zee eeuwige-vriendschapsbaar-zen bij de vleet, openden zich de angstige juffrou-wen-harten bij ’n norschbekkige golf als spreeuwenmuiltjes in ’t nest, wen de moeder werom keert.
Voorts ’s avonds als de badgasten zich verveelden, dronken ze thee bij mekaar en praatten kneuig over de wereld, de pensions, d’r huishouentjes thuis.
Die ’t héél goed hadden hokten onder lampjes, vóór alles zichtbaar, en feestten bij ’n leege Rhijnwijn-flesch en leege Rhijnwijnglazen. Zoo te badgast zittend met ’n waarachtig dorps-autoriteitje, een met ’n éigen huis of bekend-veel effecten, droop het groote, wijde Wereld-Geluk uit hun oogjes naar de lieve Zee, die als ’n volleerde schoenlapper hon-nige vrindschapsbandjes flikte en dan bèlógen zij mekaar. Ja, de ouwe smakker badgast-oceaan had heel wat ziele ver warrinkj es op z’n geweten — die liet de badgasten, ten spot van alle sluitende voorafbere-keningen, méér spendeeren an thee en schuimpjes en van-allerhanden, die dee ze gezamenlijk poenen en jókken.
In de badstoelen én ’s avonds als de vliegen om den thee-suikerpot snorden, deeën ze mekander sprookjes-verhalen van d’r thuizen, hoe d’r salonnetjes ingericht