7 2 Eigendommetjes.
de overzij, schuin weg, schepte de groenteboer aardappelen in de maat voor de juffrouw die an de deur stond.
„Wat ik zie! Wat ik zie?”, zei tante gehaast: „wié loopen daar bij de winkel van Big?”
Piet’s wimpers sparden als onraad-speurende sprieten. Toen, resoluut, zei ze:
„ ... Allemachtig — de Van Borkum’s.”
„Dacht ’k ’t niet!”, knikte tante.
„En ze zoeken óns nummer,” schrikte Piet, gloeiend-aandachtig de gebaartjes bespiedend van den meneer-met-den-hoogen-hoed, van de dame-met-de-kippeveeren, van ’t jongentje met ’t matrozenpakje die benee in de straat ijverig de deuren bekeken.
„Da’s uitgezocht-beroerd,” praatte tante heelemaal van streek: „ik hou me niet thuis.”
„Ja, ü houdt u niet thuis — malligheid!”, zei Piet, driftig den koflSeboel redderend: „alsof ze benejen èn boven niet weten dat we wèl thuis zijn” .. .
„God, wat ’n lammigheid,” zuchtte tante d’r huis-schort lospeutrend. Maar ineens versteenden ’r vingers om den knoop. Benauwd bekeek ze de kruimels op tafel: „En alles wat we vóórgelogen hebben,” zei ze haast hakkelend.
„Gut, ja,” zei nichie Piet.
Als alen-gekrioel glibberde ’t door de hoofden van tante en Piet.
Plots zagen ze bei ’t zélfde, ’t strand, de zee, de badstoelen, ’t mevrouw-gedoe over en weer...
Plots oplééfde in haar de luxe van nog geen maand gelejen...