236 Banale historie.
arm in arm, met rozen die vlammen, bloesems die splijten, groen dat ritslend ontbot.
En de straten zijn dwaas van stuifmeel en pluizen.
In de herbergen vloeit rozenolie in kelken.
In de gasthuizen spelen kinders met pauweveeren en zwanendons.
In sloppen en krotten gouden zonnebloemen, betrossen druiven roodwarme muren.
En een ieglijk kijkt rond met ’t onwetend weelde-gestaar van ’n zuigling aan de moederborst.
De gansche menschheid lijkt perzik en ananas — garnalen spoelen gekookt, gepeld aan — sardines telen in bussen.
Kortom zij leefden verder gelukkig, zonder mond- en klauwzeer, zonder kinkhoest, zonder explootjes, zonder overburen, zonder gekonkel, gekakel, speldeprik-smar-tjes, zonder beurs-noteering, begrafenisfondsen, vóóral zonder embêteerende gemeenschap.
Je zou gaarne Romans schrijven, oude Romans, romantische Romans, moderne Romans. Je zou óver-gaarne van eiken vinger tien drama’s likken, drama’s met traan èn lach èn ’n verzoeningskus an ’t end.
Maar als de Falkland-Vrijdag-namiddag is gekomen en je je kachel mist en de hond ligt te jenken en de meid in de gang scharrelt voor de vrijdagsche beurt en je neus reageert op October-kou — dan zak je van zelf naar ’t banale en veegt ’n plekje droog in de beslagen ruiten, mijmerend over een excuus voor de felle lezers die van ’n onnoozel scribent verlangen wat ’n klef levensgangetje aan spartlende romantiek mist.