Dit is alweder niet van buitensporige tragiek, nóch van moord en doodslag, nóch van levensopstand, nóch van machtig gebaar, nóch van romantiek.
Romans zijn foppende dingen.
Romantiek eene zaak zonder mond, zonder handen, zonder tanden, zonder zeep voor ’n voetbad, zonder deksel voor aardappels die kleumen.
Ze krijgen mekaar en leven verder gelukkig.
Verder.
Eindloosheid van geluk, violet geluk, zomeravond-geluk. Geen koude voeten, geen geldzorgjes, geen dagelijksch potje, geen rheumatiek, geen zieke kindren, geen dienstboden-geharrewar, geen omgeving met plagend-afleidende ellende.
Ze krijgen mekaar.
Ze leefden verder gelukkig — de heele wereld puft meibloesem-geur.
In de riolen gloeien papavers — in dakgoten purperen pioenen — de straatvegers wuiven met dahlia’s — om ’t heel aardbolletje wandelen ze lachend, stoeiend,