„Wat dan jongen!” knorde hij.
„Ik hoor wat,” zei ik bevend, beangst door het eenzame van dat groote, verlaten schip, met z’n verwoeste verschansing en overhellende masten.
„Zooveel te beter,” zei de schipper, blij dat-ie misschien bijtijds kwam om nog den een of ander te redden.
Z’n hoofd verdween in het luikgat — de matroos volgde — toen ik.
Nee — d’r was geen sterveling an boord. We kwamen in ’n nette kajuit — niks.
In de slaaphut — niks.
De schipper schreeuwde om zich te overtuigen — de matroos stampte, zocht alle hoeken af — niks,
En toch bleven we met z’n drieën benauwd en schuw staan, de mannen net zoo goed als ik, kwajongen, — want in die akelige, afschuwelijke stilte van de kajuit, klonk ’t angstig-helder — tik-tak — tik-tak — tik-tak.
De wekker aan den wand geschroefd, liep nog, tikte, een-twee, tik-tak, tik-tak.
„Wat maakt dat ding ’n verdomd geweld,” gromde de schipper.
Ik keek naar den secondewijzer die rustig voortsprong, luisterde doodelijk-bevreesd.
Het getik was niet ongewoner dan dat van’n andere klok — mal dat je ’t bevestigen moet —’t klonk niet schel en niet óverhard — maar hier in die verlaten kajuit, waar wij als inbrekers snuffelden, waar alles bijna intiem leek — ’n vrouwe-naaidoos, vrouwe-