„De Haan — kijk ’ns vlug na of we bij Jansen *n saldo hebben — maar vlug en sekuur — ze zijn mis ....”
„Is Jansen, mis — Jansen?”, zei ’t boekhoudertje verbaasd ’t hoofd schuddend, heelemaal in de belangen der zaak.
„Ja — ja — kom zélf hier met ’t grootboek *
Ijverig slofte hij terug — bleef voor de boekhou-dingdeur stilstaan, leeg van hoofd, inert tastend naar den deurknop.
Om twaalf uur liet-ie z’n boterhammen staan, de extra-boterhammen met rookvleesch en kaas.
Maar de koffie dronk-ie — de koffie.
En om kwart voor zes ging-ie ’t weggetje terug.
En stak den sleutel in ’t slot.
En zei niks.
Toen begon Jans te huilen en liet in ’r kwaadaardigheid de kip anbranden, de feest-kip.
SCHETSEN VIII. I