Augustus-zon ’n felgroenen, licht-ketsenden driehoek.
En ’t windje uit den tuin om den hoek dee de blaadjes spiralen en knikklen.
De muur liep zóó hoog, dat je geen hemel zag, enkel de groene, wirrelende klimopsprieten, de zwartgroene blaadjes benee, de zilver-stuivende boven.
Tegen elven was de zon weg, werd ’t overal egaal grijzig-groen, groen bestoven door stadswalm, groen dat slaaprig bleef benglen op ’t windje.
De lippen mummlend tegen ’t gepraat in — ’t gepraat dat niet mócht, dat je tóch niet verbieden kon — begon-ie te tellen voor de maand-balans, met de pen de cijfers volgend, eerst van beneden naar boven, toen van boven naar beneden voor de controle en onder-aan elke bladzij schreef-ie met potlood de getallen. Als ’t klopte ging ’t morgen in inkt. Hij telde langzaam. Soms hield-ie stijf de inktlooze pen halfwege ’n kolom, boog dieper naar ’t papier, telde voort.
Malle Jans, die gedacht had dat ze ’t kantoor groen hadden gemaakt — wat ze nou zeggen zou as-ie thuis kwam.
Trrrrrr —
De electrische schel.
Of meneer De Haan op ’t privé-kantoor wou komen.
Zacht-trillend liep-ie de gang door, wétend dat ’t niks was, dat de patroon en de procuratiehouder netzoomin an één Augustus dachten as de collega’s, dat ’r geen sprake van kón wezen — maar toch — maar toch____