Feest. 219
feest gesproken werd, van ’n politieagent die vijf en twintig jaar dienst had of van ’n leeraar aan ’n hoogere burgerschool die z’n zilveren jubileum gevierd, zei ze in ’r eenvoud: „’t Is me wat! Wat ’n kouwe drukte! Jij ben al haast v ij f t i g jaar in betrekking!” En toen ’r ééns in de krant ’n halve kolom stond van ’n sluiswachter die vijftig jaar de sluizen geopend had en feestelijk was toegesproken en ’n enveloppe had gekregen — las ze 9t relaas twéémaal over, tweemaal hardop. Nog *n maand, dan was ’t bij hun ook. ’t Oude boek-houdertje knikte dan, maar lachte niet, „’t Is raar,” zei-die: „’t is raar — niemand zegt’r op kantoor ?n wóórd van.” — „Je heb nog een en dertig dagen,” troostte zij sekuur: „heusch, ze vergeten ’t niet.” Van een en dertig werd ’t acht en twintig, twintig, zeventien, tien .... Telkens als-ie tegen zes uur thuiskwam, zat ze in vragende afwachting.
Maar nieuws bracht-ie niet mee. Als ze wat doen wouen, niewaar, als ze ’m op i Augustus 'n attentie wouen bereiden, dan mocht je toch verwachten dat de een of ander, Bredé die Indië behandelde of Vorsterman, de correspondent, of Van Velzen die’t journaal bijhield, om van de jongeren niet te spreken, allicht is ’n woordje lieten glippen. Hoe licht zeg je niet: Nou, De Haan, *t is haast één Augustus — of: De Haan, je doet je zaakjes toch nog best met je vijftig jaar dienst — of: De Haan, in vertrouwen gevraagd, wat zou je willen hebben? Maar geen kik — gister, één-en-dertigJuli, hadden ze allemaal gewoon d’r werk gedaan, had niemand de flauwste toespeling gemaakt.