212 Vet sauszeiL
gejaagd cijfer-gepeuter op ’n kantoor met weinig verdienste, veel schulden, veel kinderen — vijf waren ’r langzaam dood gegaan, maar doodgaan kostte óók veel, al was je in ’n bus — hadden z’n gestel ondermijnd. ’n Tegenslagje van ’n eindelijk gepotten spaarduit die door z’n vrouw’s broer afhandig gemaakt werd — dee de deur dicht, bracht ’m zoo overstuur dat-ie in geen maand kon werken. Nou gaf Hasselaar’s aanzoek de éérste vreugde, zette moe ’r den domper op door op ’t versleten zeil en de andere kamerschunnigheidjes te wijzen, waaran zij gewend waren, maar die ’n vreemde moest opletten. Met op vlammende driftigheidj es begonie in ’t late avonduur met moe en Sophie te redeneeren, geprikkeld tegenstribbelend. Maar alsmeet-ie ook ouwer-gewoonte ’n bord stuk, wat moe zonder verzet liet passeeren — niks bedaarde ’m zoo als *t gezicht van scherven — an ’t end gaf-ie toe. Zezouennaar ’n magazijn op afbetaling gaan, waar ze al meer van gehad hadden en zuinigjes inkoopen. Als dan Hasselaar van Haak & Co. uit Helmond om vijf uur kwam, zou-die in de voorkamer ten minste geen armoeds-zoodje vinden. Dan zou moe verder wat lepels en vorken en vooral wat nieuwe messen inslaan — contant — de ouwe messen hadden heften die je an iemand met dikke drieduizend gulden niet kon presenteeren — en bij den slager zou ze ’n malsch stukkie lenden koopen, lenden met jonge worteltjes en aardappelen en alebessen met ’n veertig-cents-meloentje na. As pa dan van Ferwerda ’n paar héél goedkoope flesschen rooien wijn meebracht — en pa nou is niet op eiken slakkestaart