„God zij geprezen,” zei moe voor het raam.
’r Oogen waren niet van de klok geweest. Van half vier af, had ze angstig de minuten geteld, de minuten, de lange onduldbare minuten.
Maar nu stond de kar voor de deur en onder de
groene deken wist ze het verwachte, het bégéerde____
Pa was in z’n hemdsmouwen omlaag geloopen. ’n Kruier kostte centen. Dat kon-ie zelf opknappen.
„Nou, da’s héérlijk, moe,” zei Sophie, ’r neus tegen de ruit plettend: „da’s gewoon boffen — ’k dacht al
z’n leven dat ze te laat zouen kommen ”
Ze had ’n kleur van opwinding, ’n purperen kleur die van ’r wangen naar ’r vuurroode oorlellen lei, ’n kleur die ’r lief, pittig gezichtje werklijk prachtig-van-jeugd boven ’r wit blousje opfleurde.
„Ja, gesteld eens,” zei moe nog, ijverig de stoelen terugzettend om ruimte te maken: „gesteld eens dat-ze niet op tijd waren geweest en dat ze gescheld hadden terwijl hij d’r was — help is mee!”
Samen schoven ze de tafel op zij, want daar most