igô Pepsiko.
zond een kruier uit voor schoon hooi, deponeerde het half ons lever achterin en eigenhandig nam ze Peps op, om hem in z’n gevangenis te plaatsen.
Het zware oogenblik was aangebroken.
Door haar tranen zag ze den hondekop met den drogen neus en de grijze mondslieren, aan haar boezem voelde ze de ruige, stoppelige haren.
„Noù dan juffrouw,* zei de beambte.
„Goeie reis, Peps-chéri,” nokte ze, het ijzeren deurtje sluitend: „en beterschap arreme liefie”____
De mand werd naar de lift gedragen en langs de steenen wanden klonk even opstandig Pep’s gejank nou-die, zij ’t ook bij versche lever, in ’t donker zat en zoo ruw geschokt wier.
„O, O," klaagde de juffrouw, radicaal ondersteboven.
Met ’t reçu in de verdwaasde linkerhand en ’t papiertje van de lever in de machtlooze rechter, zag ze de lift stijgen naar het perron, hooger en hooger tot de deuren dichtsmakten. — Het was volbracht.
Op van emotie liep ze het station uit, de lippen pijnlijk geplet, de oogen vol bittere levensellende.
Toen plukte ze weer de haren van haar mantille,de grijze, steile haren, de haren die ze zoo dikwijls gestreeld had> doch die ze niet kon laten zitten om zindelijkheidsredenen.
Levensmoe stapte ze op de tram.
Thuis lei ze een doek over het mandje, na het lékkers verwijderd te hebben en met eene stem die door ontroering vier tonen te hoog liep, zong ze diep-weemoedig... * „Einsam und vèèèèèrlassen’’.....