Fepsiko. 195
„Toe nou Peps — varkenslevertje — vérsch gekookt Peps”.....
Waterig, ofschoon met glans van dankbaarheid, beschouwde hij haar wrangen neus en den van vogeltjes-veeren ontdanen hoed. Positief, hij lustte ’t niet.
Smartlijk glee het halve ons in Aaltjes achterzak, bij portemonnaie en zakdoek, en smartlijk schreed zij voort naar het station. In het bagagelokaal liep het storm; mannen met witte kielen rolden dreunende wagentjes — heeren verdrongen zich om het loket — juffrouwen hijgden onder diverse lasten.
Confuus èn beduusd wachtte onze douloureuze heldin en door haar gedachten-moe hoofdje spetten de wroe-ginkjes als de vonken van een zevenklapper.
Nóg kon ze terug — het mandje met ’t zachte kalfs-kotelet-kluifje, het brokje leverworst, het klontje suiker, wachtten. Was sterven in je eigen bed niet hartelijker, dan in de kille sfeer van een asyl, waar alles hónd was en niemand haar lieveling zoo teer zou toespreken als zij ’t jaren lang had gedaan. Wie zou Peps roepen of Pepsi of Pepsiko-chéri ? Wie zou z’n mandje luchten, z’n geblaf begrijpen?
De tranen nevelden als paarlemoeren schelpen voor haar»oogen, haar handen trilden, haar neusvleugels bewogen als vlindervlerkjes.
Edoch — men mocht geen kansje laten verloopen om het lieve schepsel te redden. Na regen kwam zonneschijn, na den nacht herleefde de dag en voor veel krankheden waren kruiden gewassen.
Haperend bestelde ze een spoorweg-hondemandje,