194 Pepsiko.
De juffrouw stapte, de hond stapte.
Zij stapten beiden.
Zij stapten zoo mismoedig, zoo hondsch-down alsof ze achter een begrafenis slenterden met de zekerheid van zélfs geen guldensbazaar-legaatje. Zij stapten, zooals een veelmaals bekeurd schutter of ’n man die te hevig gegeten heeft stapt. Zij stapten egaal en dof kwak-klend over de keien, sukkelend van en op de stoep-randjes. Zij stapten in desperaat pessimistischen cadans.
Er draaide een draaiorgel van Warmies, den voor-trefïlijken draaiorgel-verhuurder van de Brouwersgracht — het draaiorgel speelde schetterend-lief van souper en cabinet-particulier — maar de juffrouw die anders muzikaal aangelegd en van schoo-nen zang hield, stapte, stapte — en Pepsiko-chéri, vroeger geneigd om weerbarstig te jenken als ’n orgel te larmoyant deed, verhief zelfs geen stip van z’n slappe ooren — hij stapte, waar z’n meesteresse stapte op kettinkjes-afstand, onverschillig voor elk goedig woordje dat ze zei om ’m te encourageeren.
Toen kwamen ze bij het station.
Benauwd, wederom wegslikkend een tranenabces, stond de juffrouw voor een kiosk stil en Peps zette zich op de tegeltjes.
Effetjes wou ze ’m nog tracteeren.
In ’n spekslagerswinkel kocht ze lekkerste dat ze verzinnen kon, ’n half ons versch-gekookte varkenslever.
Peps berook ’t — keek insipide-onverschillig, stelde zich aan als een lever-asceet.