Pepsiko. 193
op je hondje” langs haar inderdaad koudekleeren liet glijden.
Want in de droevige omstandigheden die haar levenspad teisterden, was dit lied eene laagheid — zij het een onbewuste.
Een vrouw (alléén op de wereld) die maandenlang haar zieken Pepsiko verzorgd heeft, verzorgd en vertroeteld, gewasschen, geknuffeld, een vrouw die ’s nachts wakker gelegen, als ze Peps hoorde kreunen, een vrouw die driemaal ’n doktersvisite, tienmaal zalfjes en laxeermiddelen betaald heeft, een vrouw die uren weende om ’s veearts uitspraak dat alleen de rijksveeartsenijschool haar lieveling redden kon (zoo redding niet te laat was), eene zulke vrouw roept men niet vuilaardig toe: „pas op je hondje!”
Gebukt onder de grieving, krimpend om het hoongelach dat haar Peps, haar zieken Peps, haar mooglijk stervenden Peps bespotte, bleef ze evenwel reuzensterk en veerkrachtig turen naar voornoemde vage verte, die niets zegt, niets te zien geeft, doch d&ardoor een troost is.
En, omdat alles op deze aarde op zijn pootjes terecht komt, kwam ook aan het neer-zijn van den sluitboom een einde, overstapte zij de rails en uiterlijk kalm sloeg ze eene zijstraat in, waar géén brutale kerels liepen, integendeel meerdere juffrouwen van-een-twee-en-zooveel-hoog d’r hondjes aan touwtjes uitlieten.
Triestig ging zij verder, op kettinkjes-afstand gevolgd door Pepsiko, wiens triestig aspect met dat van zijn meesteresse en met den heelemaal-naren boel van dien dag harmonieerde.