192 Pepsiko.
Het weer was naar, de wolken waren naar, de wind was naar, het stofgestuif was naar.
Maar naarder nog dee de sluitboom van den spoor-weg-overweg, die neerknipte, juist toen Aaltje en Peps wilden passeeren. ’t Duurde altijd ’n poos vóór de trein doorreed en net vandaag stonden ’r ’n massa werklieden van ’n fabriek te wachten.
Een keek de juffrouw en den neerslachtigen, mageren kees aan — ’n ander was onbeschoft genoeg — o, die mindere menschen zijn zoo ongelikt! — omgrinnekend te zingen.... „En juffrouw pas op je hondje, pas op je hondje, pas op je hondje!..
Zwijgend, hautainement, met eene waardigheid die imponeerde, keek juffrouw Aaltje in de vage verte, waarin wij allen, kalfachtig of stoer, staren, wen het noodlot der samenleving ons onkiesche blikken of grof gelach opdringt.
Aaltje’s hoed lijnde naar den naren, lummeligen hemel. Zij droeg een protesthoed contra de vogeltjes-mode. Aaltje’s wrange neus — ik zeg wrang omdat ik er geen beter woord voor vind — wipte naar de daken. Aaltje’s oogen zwommen haar ouwewijfjes-en-face uit — Aaltje’s kin spichtte hóóg van haar zijden kraagje — Aaltje’s nek stond in sinus tot haar rug — al hetwelk, in combinatie met vele andere kenmerken die Falkland onbeschreven laat om den geduldigen lezer niet te zeer af te matten, slechts flauw aanduidt hoe fier en verachtend zijne heldin op de nare straatkeien vóór den sluitboom stond en hoe vorstelijk zij de laagheid van het schimplied „juffrouw pas