Triestig bukte juffrouw Aaltje naar de mand.
Pepsiko snurkte — ’t zacht kalfskotelette-kluifje, ’t stukje leverworst, ’t klontje suiker leien onaangeroêrd om en bij het behaard dekje.
„Chéri,” zuchtte juffrouw Aaltje. Pepsiko blééf snurken.
„Pepsi,” herhaalde ze in dezelfde stemming van ingeslikte tranen.
De verharende, magere keeshond keek lijzig over den mandrand.
„Kom Pepsi,” redeneerde de ouwe jongejuffrouw, terwijl ze het kettinkje in den halsband gespte: „’t is voor je eigen bestwil, stakkerdje. En dan kom-ie weer gauw bij de vrouw terug, zoete beest. En dan krijg-ie allemaal lekkers van de vrouw — leverworstje en 'n kippepootje — hè? — lekkertjes, hè? — lust-ie dat dan? Zal-ie dan zoet meegaan? En doen wat de dokter zeit? En de poeiertjes braaf innemen? Kom dan, lieve toetie ....”
Ze kropte een tranen-abces weg dat in haar keel zwol bij het zien van Pepsi-chéri, die half-dronken over