i86 Kopje koffie.
„Nee — bèmoei je met je zelf...”
„Neem ’n warrem koppie. Die ’s steenkoud.”
„Nee — blijf d’r af *
Toen met ’n laatste opwelling van goedigheid — ze most 'm den heelen middag alleen laten — zei ze, zooas je met ’n kind praat:
„ Daar dan — hier heb je dan suiker...
Den pot hield ze vlak bij den kop.
Maar opnieuw bevend van geiriteerdheid, onnoozel-driftig, bijna stikkend in de woorden, sloeg hij naar den suikerpot.
„ ... Weg!... Dan had je me straks motten geloo* ven!.... Nou blief ik niet! Nou wil ik niet! En hoe eer je uitgaat hoe beter!” ...
„O man, man!”, schreeuwde ze verwoed: „ik zal God danken as je ....”
De toegesmeten kamerdeur dreunde de woorden weg.
Grimmig teruggeleund in den stoel, beluisterde hij ’t dompen der stappen op de trap.
Nou zat-ie alleen in ’t heete, broeiende kamertje. De zon beschaterde de gordijntjes, dreef scherpe licht-wiggen over het kleedje van zwarte, roode, gele kleurtjes, dat onder de tafel lei.
Op de kozijnen der opgeschoven ramen, druk tippend tusschen de bloempotten, krakeelden en schreeuwden dievende musschen.
Het wekkertje op den schoorsteen schel van blik-glans, tikte onrustig-snel, de poes duttig geschurkt in ’n zongeul knorde met zachte, tevreden kreuntjes.